Ontstaan overeenkomst door feitelijke gedragingen?

Als ondernemer maakt u tijdens uw werkdag gedurende de hele dag afspraken, met collega’s, opdrachtnemers, opdrachtgevers, distributeurs etc. Wellicht denkt u dat er pas verplichtingen en rechten ontstaan indien de afspraken op papier zijn gezet, met een handtekening eronder. Maar let op, een overeenkomst kan ook al ontstaan door slechts feitelijke gedragingen. Ten eerste zal worden besproken welke vereisten er zijn voor het ontstaan van een overeenkomst. Vervolgens zal aan de hand van een recente uitspraak worden uitgelegd hoe op basis van feitelijke gedragingen een overeenkomst kan ontstaan.

Aanbod en aanvaarding
Een overeenkomst is op grond van artikel 6:213 BW ‘een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis is aangegaan’. Aangenomen wordt dat een overeenkomst tot stand komt op basis van ‘aanbod’ en ‘aanvaarding’. Een veel gehoorde definitie van een aanbod is ‘een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst, dat alle essentiële elementen van een overeenkomst bevat, zodat de wederpartij slechts met een enkel ‘ja’ de overeenkomst tot stand kan doen komen’. Kort gezegd is de aanvaarding het ‘ja’ van de wederpartij op het tot haar gerichte aanbod. Aanbod en aanvaarding zijn beide rechtshandelingen die door partijen in elke vorm kunnen geschieden, dus schriftelijk, maar het kan ook mondeling, en zoals we zullen bespreken, ook door enkel feitelijke gedragingen.

Wilsovereenstemming
Aanbod en aanvaarding zijn rechtshandelingen met een op een rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Deze verklaring kan worden geuit door: woorden, gebaren, tekens gedragingen en soms zelfs een niet-handelen, en is dus vormvrij, zoals hiervoor beschreven. Als de wil en de verklaring van een partij overeenstemmen, is men gebonden aan de overeenkomst. Pas als deze wil en verklaring uiteenlopen, ontstaat een probleem.

Uitspraak rechtbank Rotterdam 27 juni 2018
In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van juni 2018 zal deze theorie van wilsovereenstemming worden toegepast op een ‘samenwerking’ tussen twee partijen die in de zorg actief zijn.

Feiten
De strijdende partijen in deze zaak zijn Den Zorg en Gedaagde. Zij zijn allebei actief als zorgonderneming. Den Zorg werkt (deels) als onderaannemer voor Stichting Particura (hierna: Particura). Particura heeft zorgcontracten met bijna alle zorgverzekeraars, op basis waarvan zij haar diensten factureert voor verleende zorg, ook wel ‘gecontracteerde zorg’. Den Zorg verleent ook een ‘ongecontracteerde zorg’, waarbij zij de zorg rechtstreeks declareert aan de zorgverzekeraar.[1] Den Zorg had in het verleden gebruik gemaakt van de diensten van Gedaagde. Gedaagde heeft toen een deel van haar cliënten ondergebracht bij Den Zorg, en deze zorg gedeclareerd bij de verzekeraar via Den Zorg.

Op 6 december 2016 heeft Den Zorg aan Gedaagde bericht dat zij bezig was met declaraties voor verleende zorg ten behoeve van mevrouw X e.a. De zorgverzekeraar gaf aan dat deze zorg al gedeclareerd was door Gedaagde. Gedaagde antwoordde dat de patiënten een vrije zorgkeuze hebben en met Gedaagde in zee zijn gegaan, onder eigen naam en eigen verantwoordelijkheid. Vanwege die reden heeft Gedaagde zelf rechtstreeks gedeclareerd bij de zorgverzekeraar (in plaats van via Den Zorg). Hierdoor wordt uiteindelijk de zorg niet vergoed aan Den Zorg (dan wel aan Particura, waar Den Zorg mee samenwerkt), waardoor zij haar winstmarge en (het rechtstreekse contact met) cliënten kwijt raakte.

Geschil
In het geding vordert Den Zorg nakoming van de regeling, gelet op de samenwerking, die tussen partijen gold, te weten dat de bij de zorgverzekeraar te declareren kosten voor de door Gedaagde verleende zorg aan cliënten van Den Zorg uitsluitend via Den Zorg (en al dan niet via Particura) diende te verlopen. Doordat Gedaagde zelf rechtstreeks heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar, zonder voorafgaand overleg en Den Zorg niet tijdig op de hoogte heeft gesteld, heeft zij in strijd gehandeld met haar verplichtingen uit ‘de overeenkomst’. Den Zorg vordert (onder andere) schade door de inkomsten die zij hierdoor is misgelopen.

Beoordeling
Het kernpunt van geschil tussen Den Zorg en Gedaagde is de vraag of tussen partijen een overeenkomst heeft bestaan, met daaruit voortvloeiende rechten en plichten.

Volgens Den Zorg vloeit de afspraak voort uit de wijze en omvang van de samenwerking, althans dat uit het bedoeling van partijen blijkt dat dat de verleende zorg via Den Zorg dan wel Particura zou worden gedeclareerd. Gedaagde betwist dit en voert aan dat aan de samenwerking geen enkele nadere mondelinge of schriftelijke afspraak ten grondslag lag met betrekking tot het al dan niet rechtstreeks declareren. Het was volgens hen een tijdelijke relatie die uit niet meer bestond dan het elkaar over en weer gunnen van een opdracht.

De rechtbank stelt voorop dat er niet altijd ‘expliciete afspraken’ nodig zijn om van een overeenkomst, van een contractuele binding, in de zin van de wet te kunnen spreken. De totstandkoming van een overeenkomst kan ook voortvloeien uit feitelijke gedragingen.[2] Of bepaalde afspraken zijn gemaakt dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf.[3] Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

De rechtbank beoordeelt de samenwerking tussen partijen als een samenwerkingsovereenkomst, om precies te zijn een opdrachtrelatie van onbepaalde duur. Dit is gebaseerd op het feit dat partijen al langer deze manier van samenwerken hadden. Zij hebben elkaar over en weer steeds opdrachten gegund  en hebben deze op bepaalde wijze uitgevoerd. Gedaagde en Den Zorg hebben een periode van gedurende anderhalf jaar zaken gedaan, waarbij de kosten van de zorgverlening door Gedaagde steeds via Den Zorg werden gedeclareerd (al dan niet via Particura) bij de zorgverzekeraars.

Daarbij heeft Gedaagde natuurlijk wel het recht om een dergelijke samenwerking te (mogen) beëindigen, maar in dat geval moet zij wel rekening houden met de belangen van Den Zorg, om te voorkomen dat die door het plotselinge beëindigen van de samenwerking zou worden geschaad.

Concluderend kan gesteld worden dat uit de feitelijke gedragingen tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst dan wel een opdrachtrelatie kan zijn ontstaan. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn:

  • Zijn de essentialia van de overeenkomst aanwezig? Denk hierbij voor een overeenkomst van opdracht aan: opdrachtnemer verricht werkzaamheden voor opdrachtgever? Werden er betaling verricht? Etc.
  • Is de wil van (beide) partijen gericht op samenwerking?
  • Wat hebben partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen afgeleid en wat mochten zij redelijkerwijs hieruit afleiden?
  • Wordt de samenwerking gedurende een langere tijd uitgevoerd en op dezelfde wijze?

Conclusie
Deze uitspraak geeft de samenhang tussen de Haviltex-maatstaf en de wilsvertrouwensleer weer. Aan de ene kant gaat het, respectievelijk, om de verklaringen en gedragingen van partijen en wat partijen over en weer uit deze verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden. Aan de andere gaat het om de wil van partijen die is gericht op een bepaald rechtsgevolg. Deze wil kunnen partijen ook afleiden uit elkaars gedragingen.

In deze uitspraak komt duidelijk naar voren dat afspraken niet altijd op papier hoeven te zijn gezet om tot een overeenkomst met bijbehorende rechten en plichten te leiden. Als partijen uit elkaars gedragingen afleiden dat er een wil is gericht op samenwerking, waarbij zij dit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mocht verwachten, kan dit al voldoende zijn! Dit is zeker het geval indien partijen voor een langere tijd op een zelfde wijze uiting geven aan deze samenwerking, deze samenwerking telkens op dezelfde wijze uitvoeren en/of dat de wederpartij wellicht wordt geschaad bij beëindiging van deze samenwerking. Mocht u graag u afspraken toch op papier willen zetten of advies willen krijgen in een dergelijke situatie, neem dan contact met ons op.

 

[1] Het verschil tussen gecontracteerde zorg en ongecontracteerde zorg is dat bij gecontracteerde zorg de zorgaanbieder een contract heeft afgesloten met de zorgverzekeraar en prijsafspraken heeft gemaakt over het de vergoeding van de zorg. Bij ongecontracteerde/niet-gecontracteerde zorg zijn er geen prijsafspraken gemaakt met de zorgverzekeraar voor het vergoeden van de zorg.

[2] HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, m.nt. P. van Schilfgaarde (DE/Fuchs e.a.).

[3] HR 13 maart 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner (Haviltex). De Haviltex-maatstaf houdt in: hoe een overeenkomst, en de daaruit voortvloeiende verbintenissen, moet worden beoordeeld, is mede afhankelijk van wat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Top